De post-individualistische gemeenschap (53)

Geven of vragen?
Vragen rond God of geloof draaien in onze wereld vaak over het bestaan van God, de eisen die God stelt als hij bestaat, de wereldordening die Hij op het oog heeft en meer van die zaken. De toonzetting van gesprekken is dan ook vaak die van Eiser (God) en gehoorzamer (de mens). Die verhouding van eiser en gehoorzamer ligt in onze maatschappij lastig. Dat heeft alles te maken met onze culturele ontwikkeling naar het individualisme. De inzet van het individu moet aantoonbaar nut en voordeel hebben voor het individu. Mijns inziens worden gesprekken over God om die reden tegenwoordig vaak doortrokken met gedachten aan de welvaart die de mens door zijn dienst aan God van God mag verwachten. Dat is niet alleen nu zo, dat is eigenlijk nooit anders geweest. De mens denkt aan zijn eigen nut en voordeel. Zelfs de Heidelbergse Catechismus vraagt steeds naar het nut voor ons en alle gedachten over het bereiken van de hemel, het nirwana of een een hogere reïncarnatie wijzen daar ook op. Het klinkt in mijn oren heel vaak als erg hebberig. De mens moet voordeel hebben van de dienst aan God en God wordt dan vaak in de hoek gezet van degene die zegent en de mens van al het goede voorziet. Zo zou ik geen relatie met een medemens willen opbouwen en zeker niet met God, maar dat is mijn gevoel. Wat ik niet vaak tegenkom in gesprekken over God is de vraag naar de zin van het contact met God. En bij zin denk ik niet eerst aan “wat heb ik er aan?”, maar aan wat is de essentie van het contact met God? Ik ga nu een overstap maken van de functieterm (God) naar een naam (JHWH), dus naar de persoon waarvan de bijbel zegt dat hij God is. Blijf daarbij wel steeds bedenken dat we het hebben over God, dus “boven wie niets hogers denkbaar is” en dan specifiek over wat de bijbel daar als antwoord op geeft. Ik ga niet aantonen dat de bijbel daar gelijk in heeft of niet, maar volg de gedachtegang op zoek naar de zin van ons bestaan.